Elma van Haren, Rita Dove

De Nederlandse dichteres en beeldend kunstenares Elma van Haren werd geboren in Roosendaal op 29 augustus 1954. Zie ook alle tags voor Elma van Haren op dit blog.

 

Hallo Heidi

Ik hoorde van je hernia en dacht toen:
kom, ik schrijf je!
Bloeit mijn hortensia aan jou nog blauw?
Weet je nog, hoe wij herfst
in ons herbarium plakten?

En hoe heerlijk het schapen hoeden was
om bij noodweer te gaan schuilen
in de herdershut, waar we de eerste kus…
door één boshutkus werd het onze geheime kusboshut,
ach hoe dan ook…

Toen jij huppelend de hort op ging,
snikte, hikte ik zo heftig,
dat mijn hond een gat de lucht in schrok.
Kapot! Kapot!
Ik huilde hele bange dagen.

O liefje, waarom werd jouw hart zo zwaar, zo zwart.
Het mijne is gebroken.
Voor altijd zit ik aan je vast.
Ik voel mijn bloed nog koken,
want hoe hard ook je hart, des te zachter
waren je hemelse handen.

voor eeuwig je Peter

 

0.00 / 2000

Ik weet nog van niks, maar zal honderd jaar duren.
Ik ben dikke hoge muren
aan de rand van een wijde zee,
maar ik weet nog van niks en
doe nergens aan mee.

Ik weet van niks, ik kan niet kijken.
Ik ben de voorraad in een donkere kast.
Ik sta te wachten op de tast.
Ik ben voor later en
niemand tot last.

Ik wil helemaal niets, ik heb geen oren.
Ik rol alleen over, de rollende donder
met donderkop en gevorkte tong.
Maar ik heb nooit iets gezocht,
want nooit iets verloren.

Ik ben een getal met veel nullen.
Van een heel lege eeuw ben ik het begin.
Jijzelf zal je eigen tijd moeten vullen.
Ik niet! Waarom zou ik?
Ik verroer zelden een vin.

Ik ben het gat in je trui,
de kier tussen deuren,
het donker in je neusgat,
ik ben zonder kleuren.
Niet wit en niet zwart
leun ik tegen het raam overdag,
in de nacht.
Ik ben het gepiep in de kelder
het gekraak op de zolder
of – als je wilt –
het geritsel onder je bed.
Ik heb geen honger of dorst,
geen pijn en geen pret.
Ik kruip als je slaapt in je hoofd.
Ik ben alles waar je niet in gelooft.

Ik ben zonder spijt en zonder verdriet,
want ik weet nergens nog van en
wil nog helemaal niks.
Jou zeker niet!

 

Elma van Haren (Roosendaal, 29 augustus 1954)
Cover

 

De Amerikaanse schrijfster en dichteres Rita Frances Dove werd geboren op 28 augustus 1952 in Akron, Ohio. Zie ook alle tags voor Rita Dove op dit blog.

 

De huisslavin

De eerste hoorn heft zijn arm over dauwglanzend gras
en in de slavenverblijven is er bedrijvigheid –
kinderen in schorten stouwen, maisbrood

en waterzakken grijpen, ontbijten met pekelvlees.
Ik zie hoe ze de morgenschemering in worden gedreven
terwijl hun meesteres slaapt als een ivoren tandenstoker

en hun Massa droomt van ezels, rum en slavenangst.
Ik kan niet meer slapen. Bij de tweede hoorn
krult de zweep over de ruggen van de laatkomers –

soms hoor ik daar onmiskenbaar mijn zusters stem.
“O! Bid!” roept ze. “O! Bid!” In die dagen
lag ik op mijn mat, rillend in de vroege warmte,

en nu de velden zich ontvouwen tot witheid,
en als bijen uitzwermen over de vette bloemen,
schrei ik. De zon is nog niet op.

 

Vertaald door Jabik Veenbaas

 

Rita Dove (Akron, 28 augustus 1952)

 

Zie voor de schrijvers van de 29e augustus ook mijn blog van 29 augustus 2020 en eveneens  mijn blog van 29 augustus 2018 en eveneens mijn blog van 29 augustus 2017 en ook mijn blog van 29 augustus 2016 en ook mijn blog van 29 augustus 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Jabik Veenbaas, John Donne

De Nederlandse dichter, schrijver, vertaler en filosoof Jabik Veenbaas werd geboren in Hijlaard op 23 januari 1959.

 

Mijn huis

nog denk ik terug aan mijn huis, het kleine, een
zomeravond en een zandbak, stekelbaarsjes
in een weckfles, buurmans radijzen

en aan de doden die hier woonden,
met hun zachte lippen en hun ogen vol onmacht: een
jongen die de sloot inliep, een vrouw die
viel het bloed vloeide zomaar door
mijn kamer

het verleden dat over de drempel strompelde, zwaar
bewapende soldaten, een veldheer die het oosten
veroverde, bommen op een stad. of eerder nog:
zonnestelsels die ontstonden (een vage
herinnering), sterren die hun eerste licht
smeten het vuur smeult nog na in mijn
open haard

mijn huis: zou het nooit groter geweest zijn dan mijn hoofd
en niet dikker dan het vlies van mijn huid?

hoe ik loop over smalle planken
met het huis in mijn doorzichtige hand

 

De gave

ik liep nog één keer door de stad
om alles weg te geven
mijn benen liet ik aan een bedelaar
die zijn hand ophield in een schemerig park
mijn vingers gunde ik aan een vogel
die er zijn jongen mee voerde
mijn kleumend hart schonk ik aan jou
een vreemde, bloederige gave!
toen was ik niets meer dan een lang verlaten,
een ongenaakbaarheid, maar ik werd ook
het onstilbaar verlangen van de late bedelaar,
het vogeljong dat reikhalzend uitvloog
en jouw meisjesogen die dorstig dongen
naar de broze blijdschap van een nieuwe dag

 

Jabik Veenbaas (Hijlaard, 23 januari 1959)

 

De Engelse dichter John Donne werd ergens tussen 24 januari en 19 juni 1572 geboren in Londen. Zie ook alle tags voor John Donne op dit blog.

 

Holy Sonnets

VI

Mijn slotscène, bepaalt God; pelgrim ik
Loopt hier zijn laatste mijl; bijna volbracht
Is dit mijn laatste stap in de ijdele jacht;
Nog even leef ik; nu de laatste tik,
En gulzige dood ontleedt onmiddellijk
Lichaam en ziel, en ik rust even zacht,
Mijn wakend deel ziet zich nu al gebracht
Voor het gezicht, dat mij verlamt van schrik;
Mijn ziel vliegt tijdelijk ten hemelpoort,
Mijn aardgebonden lijk zoekt aarden cel;
Dus val, zonden, terug waar je behoort,
Daar waar je mij wou hebben, broedplaats hel.
Rechtvaardig mij, gezuiverd van het kwaad,
Nu ik wereld, vlees en duivel achterlaat.

 

Vertaald door Jan Jonk

 

John Donne (24 januari 1572 – 31 maart 1631)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e januari ook mijn blog van 23 januari 2019 en ook mijn blog van 23 januari 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Colin Channer, Jeet Thayil

De Jamaicaanse dichter en schrijver Colin Channer werd geboren op 13 oktober 1963 in Kingston. Zie ook alle tags voor Colin Channer op dit blog.

 

Spumante

Weeks diffuse into each other like
they’re sprayed; jetted, they shoot certain:
days, times, doodles, kept appointments,
next is lull, pool, fading, flash-disperse.

I was shook and shocked by death,
chanced upon it on a winter walk,
proof of plod for miles behind me
swept in fog, a wet so thick

it blended with the snow that
settled plenty on the sand. It
was not yet daybreak, and I’d driven
miles to walk and think,

find peace in sweat and sea racket,
that ancient wise asthmatic sound.
The light took its lazy time for lifting.
In the shift I saw a darker shaping

than the gray—at two miles a boat
of some proportion, at quarter mile a whale.
Since then I’ve been lamenting,
moving as if held in gel.

At night I dream it, see it stretched
across the wrack of high tide,
belly to the stars—flung shells and gravel—
throat-part grooved, fins unflappable,

balletic flukes symmetric
in their pointing, how they fused:
all this in half-light, all this in sea dirge,
wet air matte, toned silver,

and I hunched in the hood of my parka,
God-awed before shavasana,
stilled as if the glassy eye that looked to me
had fixed me in a century of tintype.

Ah-gah-pay. I’ve only recently discovered
love of animals—well, Kili, Nan, and Rebus,
three dogs. Now I’ve partly taken leave
of language, have given incoherence due.

I know what it’s like to be mammal
filled with deepest ocean sounds:
oblivion, solitude, stillness
intermitted by quake roar,

tectonic slipping, lava fissures,
ship propellers drilling,
the human croons of whales.
There is slave in me, fat heritage,

no fluke I’m invested with hurt,
echo of the hunted, located, natural
rights redacted, meagered to resource.
All is flux as I’m collapsing

love and distance, moving through the gel,
my life, edging the canals of my city,
clomping up its hills, memory aerosol,
head in self cloud, getting Melville

as I should have, watching at him
contemplate the vista from a landlocked house,
hills becoming pods of transmigrating giants:
Greylock. Berkshire range.

There’s thirst for music in this less than solid
state. Ampless back in my office,
I knee-prop my Fender, ancient black thing.
Strum it casual, weep;

suck salt in darkness, fingers guessy,
lazing up the sound. Still, something
brusque runs up me: shuddered
wood, that deep flesh shook

that makes string music fuse to you.
The thumbing further breaks the thing in me.
I know what now love is,
know tentative for sure its

incoherence, jelly analog, is mine for life.
The windows stay black and phlegmatic
as the air outside begins to heave with rain.
I hum, thumbing, fashion something of a home,

some succor, pulse quick but steady as I deep dive
to dub. With it comes the baleen
wheeze of mouth organs, plangent blue whoop.
I am dub and dub is water.

Exile, I wish you could have lived in me,
plunging, life spumante. I’d slip my hold
on you like magma shot for islands
every single time you breach.

 

Colin Channer (Kingston, 13 oktober 1963)

 

De Indiase dichter, schrijver, librettist en muzikant Jeet Thayil werd geboren op 13 oktober 1959 in Kerala. Zie ook alle tags voor Jeet Thavil op dit blog.

 

INTENTIEVERKLARING

Je lippen gaan in één zucht van zonnetje naar zelfmoord.
Je bent elke sluipschutter te snel af.
Je weet wanneer je moet gaan liggen en moet blijven liggen.
Wanneer je de deur uitgaat, triomferen of bezwijken legers door je ogen.
Je soldaten zijn van alle leeftijden, geslachten en godsdienstige gezindten.
Het enige wat ze delen is het beeld van jou
gedragen in geheime medaillons, of gebrand in hun derde, nooit knipperende oog,
of getatoeëerd in de oksel, op de haargrens en tussen de tenen.
Als je een blik werpt op jezelf terwijl je gekust wordt, rukt de spiegel zijn eigen ogen uit,
want geen enkel ander beeld zal ooit nog goed genoeg zal zijn.
Je wordt gekust en nog eens gekust. Je wordt altijd gekust.
Je wordt wakker met een kus en valt ermee in slaap. Daartussen: kussen.
Je zegt je dromen met een verrukte, zachte stem
die hoort tot de andere wereld.
Je stiltes zijn ijzig, de ouderdom smelt zijn vasteland vast aan je adem,
met je tranen eindigen seizoenen.
Soms, op een roltrap, als je praat tegen jezelf,
laten je ongehoorde woorden een vreemde verdrietig stoppen.
Je macht is duurzaam en biologisch afbreekbaar.
Je groen blijft langer goed dan plastic.
Je vond de elektriciteit uit. De netwerken behoren aan jou toe.
Ze bazuinen je lof, zichtbaar vanaf ruimteschip en satelliet.
Wanneer je de stad ontvlucht, zegt de wind in de straat je naam.
Ah, zegt hij. Kang. Sha.
Niemand ontsnapt aan je invloed.
Eens, in mijn waanzin, probeerde ik het, maar het gras versperde me de weg.
En de sterren zwierven uit hun hokken.
En God ademde uit.
En de wereld was alle geloof verloren.

 

Vertaald door Jabik Veenbaas

 

Jeet Thayil (Kerala, 13 oktober 1959)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e oktober ook mijn blog van 13 oktober 2018 deel 1 en eveneens deel 2.