Een nieuwe kapperszaak in de buurt, die Absalom heet, een Marokkaanse eigenaar. Kent de Koran ook Absalom, de geliefde zoon van koning David, beroemd om zijn welige haardos? Twee medewerkers van het palliatieve team zijn rond haar bed meubels aan het verschuiven. Bij het voeteneind van het bed wordt een tafeltje geplaatst. Daarop worden twee zwarte, platte doosjes geplaatst, langwerpig, tien bij zes centimeter. Met knopjes om de dosis aan te passen. Het zal vanavond worden uitgelegd. Ter geruststelling: een overdosis geven is onmogelijk. Ik sta bij het hoofdeind, beschaamd, verdoofd, ik ben gezond, voor haar is de dood nabij, mijn voorhoofd nat van het zweet, allen om haar heen zijn gezond, niemand zou in haar plaats willen staan, een dikke vette worm van egoïsme spartelt in mijn maag, jij wordt gereedgemaakt voor het einde. Jij kijkt me aan, heldere blik, geen spoor van angst. Wat gaat er in haar om? ‘Och, Jan, ga je vandaag naar de kapper? Ik kan je niet meer knippen, alle model is eruit. Doe het voor mij ‘ Een korte stilte. ‘Ik wil dat je er dan fatsoenlijk uitziet.’
4
Mijn huis lijkt steeds meer stilte in zich op te zuigen, het raakt verzadigd, er komt een moment dat ik er niet meer kan ademen. Zelfs Sarah zwijgt als ze een poes in de tuin ziet. Een wandeling gemaakt, ik kom weer thuis, open de deur: ‘Ik ben er…’ roep ik, en verstrak. Was er dan toch hoop in mij doorgesijpeld? Nee, niemand wacht mij op, een donker, beschamend gevoel, deemoedig loop ik de kamer in, ga op de bank zitten waar tot voor kort het bed stond. Hoe mijzelf redden? Hoor haar, rauwe keelgeluiden, gebarsten, gesprongen lippen. Die bevochtigen, geen drinken, ze zou stikken. Zestig uur lang, een laag rochelen. Maar het p-team is opgetogen, ze ligt zo rustig, dat maken we vaak heel anders mee. Patiënten die woest om zich heen trappen. Het team was heel tevreden.“
Jan Siebelink (Velp, 13 februari 1938)
De Duitse dichteres en schrijfster Elke Erb werd geboren op 18 februari 1938 in Scherbach in de Eifel. Zie ook alle tags voor Elke Erb op dit blog.
EEN TAMME CONJUNCTIEF
De tram komt niet. Hij stopt niet. Sluit de deur voordat je de trede bereikt.
Iets is gecompliceerd, niet ongecompliceerd. Was het ongecompliceerd, dan zou je… Het hart is een kat
op het punt van springen. Roerloos, staat de elzenstam van boven tot onder.
Er komt geen tram. Dat zou niet zo moeten zijn.
Allerlei logica Met de rug naar je toe. Met mes en vork voor zich.
Af en toe miauwt er iets. Klappert oor jij en omgeving.
“He had reached the neutral ground upon the outskirts of the town, which was neither town nor country, and yet was either spoiled, when his ears were invaded by the sound of music. The clashing and banging band attached to the horse-riding establishment, which had there set up its rest in a wooden pavilion, was in full bray. A flag, floating from the summit of the temple, proclaimed to mankind that it was ‘Sleary’s Horse-riding’ which claimed their suffrages. Sleary himself, a stout modern statue with a money-box at its elbow, in an ecclesiastical niche of early Gothic architecture, took the money. Miss Josephine Sleary, as some very long and very narrow strips of printed bill announced, was then inaugurating the entertainments with her graceful equestrian Tyrolean flower-act. Among the other pleasing but always strictly moral wonders which must be seen to be believed, Signor Jupe was that afternoon to ‘elucidate the diverting accomplishments of his highly trained performing dog Merrylegs.’ He was also to exhibit ‘his astounding feat of throwing seventy-five hundred-weight in rapid succession backhanded over his head, thus forming a fountain of solid iron in mid-air, a feat never before attempted in this or any other country, and which having elicited such rapturous plaudits from enthusiastic throngs it cannot be withdrawn.’ The same Signor Jupe was to ‘enliven the varied performances at frequent intervals with his chaste Shaksperean quips and retorts.’ Lastly, he was to wind them up by appearing in his favourite character of Mr. William Button, of Tooley Street, in ’the highly novel and laughable hippo- comedietta of The Tailor’s Journey to Brentford.’ Thomas Gradgrind took no heed of these trivialities of course, but passed on as a practical man ought to pass on, either brushing the noisy insects from his thoughts, or consigning them to the House of Correction. But, the turning of the road took him by the back of the booth, and at the back of the booth a number of children were congregated in a number of stealthy attitudes, striving to peep in at the hidden glories of the place. This brought him to a stop. ‘Now, to think of these vagabonds,’ said he, ‘attracting the young rabble from a model school.”
Charles Dickens (7 februari 1812 – 9 juni 1870) Cover
De Duitse dichteres, schrijfster en vertaalster Lioba Happel werd geboren op 7 februari 1957 in Aschaffenburg. Zie ook alle tags voor Lioba Happel op dit blog.
Je hangt mij al lang het oog uit.
Je hangt mij al lang het oog uit. En daar zit je dan, neergestreken op een stoel!
En de nacht lacht. En een ster blaakt – Omwille van mij? Omwille van jou?
Kus me, als dat mag, nog een keer – Tik in mijn oor! Kom nog eens terug! Zonder adjectieven. Of ga weg!
Ik kom in de benen – Asjeblieft een gedicht! Vaarwel, adieu, jij gekwelde, opgehangene! In mijn nachtoog – Vaarwel, adieu!
Zo teder als jij bent, ben ik behoorlijk hardvochtig!
Uit: Ende offen – Das Buch der gescheiterten Kunstwerke
„Plötzlichen Eingebungen gehorcht Michelangelo auf der Stelle. Er schläft in seinen Stiefeln. Bei seinem Tod 1564 defilieren Dutzende Jünger an seinem Leichnam vorbei. Sie sind in derselben Soutane gekleidet wie ihr Meister. Hier arbeitete kein anonymes Kollektiv mehr wie noch im Mittelalter. Hier schuf ein einzigartiges Individuum. Und nicht zu Gottes Ehren, sondern den Menschen zur Feier. Signed and sealed: Michelangelo, Superstar. Im Glanz einer solchen Aura beginnen Fragmente zu leuchten. Von nun an konnte es passieren, dass auch das Unvollkommene vollkommen war. Von nun an gab es eine Figur, die erst in der Aufklärung ihren Namen erhalten und sich seit der Romantik größter Popularität erfreuen sollte: das Genie. Poeta alter deus (Shaftesbury)! Ein Original, dessen in die Kunst über-setzte Regeln natürlich und deshalb natürlich absolut sind (Kant)! Prometheus (Goethe)! Flackernd, intuitiv, grenzwahnsinnig, und vor allem leidend. Kurz und exzessiv hatte sein Leben zu sein (da damals ausschließlich männlich konnotiert). Genies, das sind Unvollendete. Moment. Einschub zum Einschub in der Klammer. Auch in diesem Buch werden die geneigte Leserin und der geneigte Leser wieder einmal mehr von Männern und ihren Problemen erfahren als von Frauen. Kann es wirklich sein, dass Männer seltener fertig werden als Frauen? Sind Männer flattriger? Und zugleich: vor Schöpferkraft strotzend, vor Kraft kaum zum Gehen fähig, you name it. Genius, das stand bei den Römern nicht zufällig für die Zeugungskraft des Mannes. Weibliche Genies – lange Zeit ein Oxymoron. Sind Frauen in Wirklichkeit also einfach fleißiger, fokussierter und strukturierter? Wirklich jetzt? Was zweifellos der Fall ist: dass Männer auch in der Kunst Privilegien genossen, die Frauen sich erst sehr spät erkämpften, was die Anzahl ihrer bekannten Vertreterinnen in Musik, Literatur, Film, Architektur und Malerei über die Jahrhunderte sehr überschaubar macht.“
Thomas von Steinaecker (Traunstein, 6 februari 1977)
Onverwacht draait de telescoop deze oktobermiddag, Ik zie mezelf, weer klein gemaakt, door de objectieflens:
Ik ben niet de weduwnaar die onlangs mijn vrouw heeft begraven, Noch de plichtsgetrouwe zoon die waakte terwijl mijn vader, Als een aangeslagen bokser, vocht om de dood te slim af te zijn,
Verward en woedend, met zijn handen in cartoonachtige handschoenen Om te voorkomen dat hij aan de slang van zijn morfinepomp trok.
Vandaag ruimen we het huis op waar hij zestig jaar heeft gewoond. In de slaapkamer waar ik geboren ben, herinneren mijn broers en zussen zich
Hoe hun enige aanwijzing voor mijn geboorte als kinderen Achter deze gesloten deur angstige instructies waren om te bidden.
Als we de zolder openmaken, ontdekken we de koffer Die mijn moeder had ingepakt voor haar laatste ziekenhuisopname:
Een toilettas en talkpoeder, kleren die ze nooit meer heeft kunnen dragen, Een tas vol gebeden en de opgevouwen brief Die ik als tienjarige schreef voor mijn zusje.
Ik besteed één pagina aan haar te vertellen dat ik braaf ben, en prop dan drie pagina’s vol met gekrabbelde X’en – elk een kus voorstellend.
Vorige week zong een kleindochter die ze nooit gekend heeft op het podium, Stralend en helder, in een band genaamd Kleine X’jes Ogen . Vierenveertig jaar lang, in een brief in een tas in een koffer op deze zolder, Waren deze sterrenstelsels van X’en de verbannen ogen van een verward kind.
Maar – terwijl ik ze openvouw – zie ik mezelf staren naar wie ik nu ben, In dit leven dat ik me nooit had kunnen voorstellen toen ik slordige X’en Krabbelde voor een vrouw die ik voor het laatst lachend in een ziekenhuisbed zag liggen,
Die ze in haar tas stopte toen de verpleegsters haar hoofd kaal schoren Ter voorbereiding op een operatie waarvan ze nooit zou herstellen:
In de hoop dat ik op een dag haar tas zou openen en verrast zou zijn En mijn X’en terug zou vinden: grote X’en voor kusjes, kleine X’jes voor ogen.
Wij zijn samen onderweg en kussen de zegelring van wie daar om vraagt
Beter worden we er niet van al schept het misschien een band
Die we kunnen gebruiken ankerloos als we zijn
Wagen na wagen trekt aan ons voorbij wat de afstand alleen maar vergroot
Overal vogels, scharminkels van het ongebondene een aansporing en aanfluiting gelijk
Een paar dozijn zou nog kunnen maar toch geen honderden, elke dag opnieuw
We zullen worden gezien als luxepaarden, als kamelen zonder baat
De tegenstand wordt al georganiseerd maar wij zetten door, iets anders hebben we nooit geleerd
Lament
De verenigde vezelfabriek en marche Lament De aorta & de aars & het gat Lament Het klagen van het vlees & het moeras Lament De overdosis recycleren & de barst Lament De ekster op de galg & de grimas Lament De kwadratuur van het mirakel & de blaas Lament De overdruk op het bestel & de magneet Lament De zuigkracht van het bloed & de profeet Lament Het roffelen van het ritme & het dak Lament Het doorgaan van de maat & de matrak Lament Het overgeven van de eeuw & van het spel Lament De coalitie van de geeuw & van de rel Lament. Het is het wegen van het veel & van het meer Het is het raadsel van de spankracht van de veer Het is het spektakelstuk, het galafeest, de eer Het is het dogma, het axioma & de leer Het krimpen van de stof & van de naad Lament Het overtollig vet wegsnoeien & verraad Lament Het suggereren van de stop & het ventiel Lament Het laten groeien van de rentevoet, de hiel Lament Het zwaktebod, de faling, het patroon Lament Het opslaan van de kracht, de durf, de hoon Lament Het is de lafheid & de moed, de heroïek Het is het spiegelbeeld van deze mozaïek Het is een schouwspel zonder goden of publiek Het is de kanker, de bevruchting, de koliek
Zolderkamer en raam, mijn schaatsen aan de muur De priester kon de badkamer zien, lichtgele houten lambrisering toilet, jonge benen, glanzende zwarte beenharen “Het zijn mijn benen, señor.” De glans van haarstoppels spoelt zijn lavendelkleurige horizon af hij voelde de jongen kreunen en wat het betekende gezicht van een rotjong op de tafel van de dokter ik was de schaduw van de wassende avond en vreemde ruiten. ik was de vlek en het gejammer van gemiste tijden in de weerspiegelde hemel plekken vervuild water onder zijn lavendelkleurige horizon, raam Vlek gekrabbeld door een jongen, koude, verloren knikkers in de kamer De sjofele tafel van de dokter… zijn gezicht… De huid van de jongen spreidt zich uit naar iets anders. “CHRISTUS, WAT ZIT ERIN?” schreeuwt hij vlees en botten rezen op als een tornado “DAT DOET PIJN” ik was de vlek en het gejammer van glanzende achterbeenharen zilverpapier in de wind, rafelige geluiden van een verre stad.
Vertaald door Frans Roumen
William S. Burroughs (5 februari 1914 – 2 augustus 1997)
“Zijn vrouw kwam overeind maar Nazim hief zijn arm en stond erop zelf thee voor ons te halen. Hij ontworstelde zich aan zijn fauteuil en moest bij elke stap uit alle mogelijke posities van hoofd, schouders, romp en armen de juiste kiezen om zijn evenwicht te hervinden. Het was de eerste keer dat ik met eigen ogen zag dat hij nooit helemaal hersteld was. Ik begreep er niets van, dat wil zeggen, ik begreep wel hoe het een tot het ander leidde, de wurgende wetmatigheid van oorzaak en gevolg, maar wat ik begreep, begreep ik niet écht: ik kon me niet voorstellen dat de man die nu schommelend als een galjoen in de keuken verdween dezelfde was als de jongen die ooit met zijn broers voor ons was opgedoken en even later was afgevoerd, ons achterlatend in stervend zwaailicht. Ik keek naar Sybil en vroeg me af of ze in dezelfde afgrond staarde. Het kon niet anders of het duizelde haar zoals het mij duizelde. Ze had niets gedaan maar alles ge- zien, aangelicht door straatlantarens had die opeenvolging van gebeurtenissen zich voor haar ogen afgespeeld, van ons allen wist zij nog het beste wat er was gebeurd, dubieus voorrecht van de getuige. Maar haar gezicht glom, haar handen hield ze tussen haar dijen, haar onderbenen stonden uiteen, haar voeten staken naar binnen, ze zat er als een schoolmeisje bij, en als ze al ten prooi was aan vertwijfeling, dan liet ze daar niets van blijken. Uit de keuken gekletter, in de woonkamer stilte, en achter het raam gleed de stad al even stil weg in het dal. Ik liet mijn blik ronddwalen, sofa en fauteuils groot, kitsch-lamp, foto van de Bosporus, wandkleed met de Bosporus, vaas met de Bosporus, dat was het wel zo’n beetje, nee, er was meer, natuurlijk was er meer, in de hoek, bij de deur naar de gang, zag ik zijn rolstoel, opgevouwen. Zijn vrouw verroerde zich niet, haar hoofddoek sneed een ovaal uit haar gezicht, haar ogen waren groot en vochtig. Misschien kwam het door de zuiverheid van haar blik maar ik was ervan overtuigd dat ze niet van die vechtpartij wist, hij had haar er nooit over verteld, zij wist niet anders of hij was invalide geraakt door een ongelukkige val, motorongeluk of hersenbloeding, voor haar moesten Sybil en ik volstrekte vreemden zijn die uit de hemel waren komen vallen.”
Poems about night and related poems. Paintings about night, sleep, death, and the stars. I know one poem from school under the stars, but belong to no school of poetry. I forgot it by heart. I remember only it was set in the world and its theme parted.
Poems about stars and how they are erased by street lights, streets in a poem about force in the schools within it. We learned all about night in college, how it applies, night college under the stars where we made love a subject. I completed my study of form
and forgot it. Tonight, poems about summer
and the stars are sorted by era over me. Also poems about grief and dance. I thought I’d come to you with these themes like my senses. Do you remember me from the world? I was sat there and we spoke
on the green, likening something to prison, something to film. Poems about dreams like moths about streetlights until the clichés glow, soft glow of the screen comes off on our hands, blue prints on the windows. How pretentious to be alive now,
let alone again like poetry and poems indexed by cadence is falling about us while parting. It was important to part yesterday
in a serial work about lights so that distance could enter the voice and address you tonight. Poems about you, prose poems.
De hemel viel uit je ogen En verkruimelde. De zon viel van je gezicht En bevroor. Bevroren kwam de koele wind Zonder jouw vlijtige handen. Op zoek naar jou, verborgen de bronnen zich in de velden. Als een omgevallen boom, Is de taal zelf Hoorbaar alsof ze valt. God, zo eenzaam Zo eenzaam Ben ik nog nooit geweest!
Uit: Ik stuur deze brief maar op goed geluk weg. Brieven 1939-1950, s
“Brief aan Haasses ouders en broer in Batavia, 11 september 1939
Lieve Allemaal, Moesten jullie veel porto betalen voor mijn vorige brief? Ik wist niet precies hoeveel er op moest voor de zeepost, ik dacht 6 cent, dat had Oma gezegd, en ik had geen tijd meer om ’t op ’t postkantoor te gaan vragen, omdat de brief nog diezelfde avond met de Oranje weg moest. Maar de volgende dag las ik in de krant dat de vliegdienst weer ingesteld was en dat de Nandoe dien morgen was vertrokken. Ik hoorde ook dat mijn brief te laat was geweest voor de Oranje, zodat ik denk dat hij nu met het vliegtuig is meegegaan. Hoe gaat het met jullie? Hier is alles weer gewoon, je let niet eens meer op mobilisatie of zandzakken en ander oorlogstuig. Ze zeggen dat de oorlog wel een jaar of drie zal duren. Ik hoop het niet! – Anneke en ik hebben van kamer geruild. Ik heb nu de grote voorkamer met 3 ramen op de gracht. Mijn meubels staan er prachtig in, het ziet er zo artistiek en gezellig uit. Douwe heeft een vriend die binnenshuis foto-opnamen kan maken, misschien kan die mijn kamer ook eens nemen. Er is weer van allerlei gebeurd. Douwe en ik hebben het zotste avontuur van ons leven meegemaakt. Enfin, nu moeten wij er voor boeten. Het is een tragikomische geschiedenis, getiteld: ‘Wij gaan op een middag om 6 uur de stad in om goedkoop te eten’. Luistert! Zondagmiddag’s eten D. en ik gewoonlijk in de ‘Petite Marmite’ dat is een kantoormensen eetgelegenheid waar je voor 80 cent soep, voorgerecht, groenten, aard. en vlees, toetje en koffie krijgt, meer dan genoeg en uitstekend klaargemaakt. D. heeft daar een abonnement. Gisteren zouden wij ’t ook weer doen. Wij waren wat laat, zodat er geen plaats meer te krijgen was (er kunnen n.l. maar ± 25 mensen in). Wij hadden echter veel te veel honger om te wachten en besloten ons heil elders te zoeken. Nu waren wij eens op een avond in een café in de Leidse straat geweest dat ‘Fleur’ heet. Het was een goedkope gelegenheid, zoiets als Heck, en een bedevaartsoord voor soldaten + meisje, en Zaterdagavond-dagjesmensen. Op de tafeltjes lagen kaarten die ’t bestaan vermeldden van een, blijkbaar bij ‘Fleur’ horend, eet-restaurant in de straat daarachter. Dit nu herinnerden wij ons gisteren ter onzaliger ure.”
Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)
Van mij naar jou is er een seconde, een lach, er is een volle waslijn die uitkijkt over de zee. Na het gekkigheid bij It-Toqba z-Zghira* probeerde ik je te bereiken. En misschien omdat er geen licht is in dit huis, in de nog steeds echoënde gang, in de kamers boven en beneden, op de bodem van deze put die jouw onvruchtbare woorden kreunt en mompelt , vond ik niemand. Alleen in jouw keuken, knallen mijn uitgehongerde ingewanden over de jongen die geboren wilde worden en zichzelf hangend aantrof aan de uitgedroogde borst die ontsproot in de woestijn; bijna als een stad waaruit iedereen is weggevlucht.
En het is nutteloos om je te verschuilen achter oude muren, en blootsvoets te lopen over de wegen van je moeder, en trots de ruïnes van je schoonheid te bewonen; want je bent nooit moeder geweest, en je zult het ook nooit worden.
Uit de deur van je buurman kwam een meisje tevoorschijn, haar ogen, twee kanonskogels gekruist op de cornetto bij de kleine opening van haar mond. Ze staart je aan, ze probeert je niet te bereiken. Als een mijn op de zeebodem van de haven die nooit ontploft bekijkt ze je, de afbladderende verf, en lacht een moment, naar jou, en liegt dat je mooi bent.
Uit: Beneden in het dal (Vertaald door Yond Boeke en Patty Krone)
“Dat had het teefje nog nooit een hond zien doen. Ze voelde een nieuw soort opwinding toen ze zag dat de grijze zijn kaken op elkaar geklemd hield en de keel van de spartelende herder niet losliet. Net zolang totdat ook zijn maten, die rusteloos om hen heen draaiden, zagen dat het lichaam van hun leider verslapte, dat er bloed uit zijn nek gutste en dat de grond ervan doordrenkt raakte. Nu leek ook hij op een oude autoband, en even later waren de twee in de velden verdwenen. Op de provinciale weg reed een tankwagen voorbij; op het dak lag een vingerdikke laag rijp die door een windvlaag werd weggeblazen. November. Het teefje sprong van de autostoel af en kwispelde naar de reu, die op haar toeliep. Zijn razernij van even tevoren was al geluwd, hij besnuffelde haar goedmoedig, liet zich besnuffelen. De geur die ze rook was die van bos, aarde, bladeren, van het bloed van de hond die hij zojuist had gedood. Ze kreeg zin om hem te likken, en likte hem. Daarna nam hij haar en zo kwam er voorgoed een einde aan haar jeugd. Ze volgden de rivier die dag stroomopwaarts, uitgelaten hollend omdat ze elkaar hadden ontmoet, over de grindbanken, de eilandjes en de verlaten stukken grond in de benedenloop van het dal. Op de bergkammen in de verte was maagdelijke sneeuw te zien, maar langs de rivier stonden cement- en meubelfabrieken, groothandels in landbouwmaterialen en bouwmarkten. Ze zagen ratten in de afvoerkanalen en kraaien op de stortplaatsen, roken de geur van over de velden uitgestrooide mest, en toen ze op mensen stuitten, in een bestelbusje op de oever, begreep zij, die niet bang was voor mensen, dat hij die juist uit de weg ging, want ze waadden de rivier door om hun weg aan de andere kant te vervolgen. Ze liepen langs een omheining en niet veel later eindigde hun tocht bij een engte waar de rivier was versperd en waar pijpleidingen begonnen. Ze konden het wegverkeer daarvandaan horen, ergens aan de andere kant van de hoge oever. Het begon te schemeren, maar hij wilde pas tevoorschijn komen als het helemaal donker was. Terwijl ze wachtten kreeg ze honger, ze had al urenlang niets gegeten en maakte het hem duidelijk zoals puppy’s dat doen, door hem te likken en zachtjes in zijn snuit te bijten, alsof hij haar vader was en haar van eten moest voorzien. Hij kon die kwelling ergens wel waarderen.’
Op mijn bureau liggen de rekeningen van de levenden en in mijn slaap liggen de rekeningen van de doden.
“Leegte is de moeder der uitvindingen,” zegt mijn gelukskoekje. 23 juli 2010. Brooklyn. Ik loop in de zachte regen, nog nooit zo voldaan, nog nooit zo gelukkig.
Waarom zou ik twijfelen aan de zin van de wereld als ik zelfs in mezelf mysterieuze doelen zie?
Een kraai daalt even neer, zwart, in rabbijnse kleding, en krast Kaddisj.
Mijn grootmoeder heeft veertien wekkers Dat zijn er elf te veel, beweert haar strenge zoon Zonder kersenbonbons is hij binnengevallen Met een zak vol maskers en wijwatervaten verlaat hij zijn moeder Morgen zal hij de wijwatervaten verkopen aan een poëtische neushoornjager.
De neushoornjager is niet echt poëtisch Hij schrijft gedichten, dat wel Zijn het goede gedichten? Ik weet het niet, ik durf mij niet uit te spreken Over de kwaliteit van zijn groteske sonnetten.
Want toen ik ze las was ik gedrogeerd Het spijt me, en ik doe dat nu niet meer Maar mijn oom, mijn oom nee hij is niet braaf Hij is vadsig, hebberig en rancuneus Mijn grootmoeder vraagt me of ik hem wil vergiftigen.
In haar tuin staan kruiden Die zonder sporen dodelijk zijn Toch zal ik mijn oom laten leven Ik ben nog veel te jong om een familielid te liquideren En als ik het een keer doe vrees ik dat ik de smaak te pakken krijg.
Ik verlaat mijn grootmoeder met een borstzak vol teennagels
De zijne, de mijne, de hare In de duinen spot ik de neushoornjager zonder kleren Zijn penis is ondanks de rusttoestand groter dan een volwassen mol Ziet hij mij naderen dan wordt de mol een alerte meerkat.
De neushoornjager vraagt hoe het met mijn rolschaatscarrière gaat Ik antwoord: ‘Heel goed. In Bulgarije telt mijn fanclub meer dan honderd leden.’ Na deze onschuldige leugen valt zijn meerkat evenwel in duigen.
Ik imiteer mijn varaan, ik echo zijn naam
Vorige maand heb ik een varaan gekregen van een achterlijke bakker Die twee dagen na de overhandiging van de magische hagedis is gestikt In een hoefijzervormige magneet waaraan een lege goederenwagon kleefde Het terrarium heb ik zelf moeten kopen De terrariumverkoper zei: ‘Succes met je varaan. Heeft hij al een naam?’
Ik heb de winkel verlaten zonder te antwoorden Omdat ik mij schaamde Eerst een terrarium kopen, en dan pas nadenken over een naam Dat is de verkeerde volgorde, weet zelfs de meest hardvochtige kleuter In de laatste telefooncel van mijn geboortestad vond ik de naam.
De naam van de varaan lag op de grond Tussen een jonge snijtand en een drievork Die een gemberwortel bleek te zijn Ik probeerde mijn muze te bellen Maar hij stond op een telefoonloze dijk zichzelf op te hemelen.
Terug naar vandaag dan maar De varaan met de telefooncelnaam is trots en vadsig Sinds hij mijn woning heeft ingepalmd met zijn fiere landerigheid Blijf ik vaker thuis om van hem te leren Ik imiteer zijn ontzagwekkende apathie, ik faal niet.
We worden stommer en breder Soms likt mijn varaan een ruit, tik ik terug dan glimlacht hij ondubbelzinnig In spiegelschrift schrijf ik onze namen naast elkaar Met een groot hart ertussen uiteraard Want zijn koudbloedigheid is altijd een fabel geweest.
Delphine Lecompte (Gent, 22 januari 1978)
De Duitse dichter en schrijver Rainer Stolz werd geboren in Hamburg op 22 januari 1966. Hij woont nu in Berlijn. Zie ook alle tags voor Rainer Stolz op dit blog.
Huis in We.
Er zijn nog vragen: aan de bewakers van de grijstinten, die ’s avonds zachtjes tegen de ramen kloppen, nog vragen aan alle soorten weer waarvan de types een beetje scheef zijn, zoals het huis waar ze om vechten, vragen ook aan de dakgoot, die soms gelaten overbodig is, waardoor ik me zou kunnen afvragen waarmee de zon hierboven toch zijn geel verdient, waar zelfs de schapen spijbelen voordat ze in het zand bijten, verder zouden er vragen zijn aan de schare der geesten met hun klopsignalen: of ze zich vrijwillig zo laten meeslepen, als was het geen kunst, die onvergelijkbaar nutteloos is, zoals de holtes hier die alle vragen verplaatsen, als voedsel voor de spinnen misschien, die me vertellen: goed hout! is hier te krijgen – en dat ruikt heerlijk wanneer ik weer eens mijn hoofd gestoten heb.
Uit: Mahmoed of het wassende water (Vertaald door Katelijne De Vuyst)
“We zijn alleen. Alleen zoals in de cel waar ze mijn nagels doorboorden en op me kwamen pissen. Mijn nagels doorboren, op me pissen. Drie jaar. Ik heb het nooit zo gezegd, vergeef me. Vanaf de zomer van 87, dag van onze terugkeer uit Parijs, tot de herfst van 90. We hadden onze twee zonen al en onze lieve Nazifé. Ze dwongen me regimegezinde dingen te schrijven, elke dag weer. Domme regimegezinde dingen. ‘Ik hou van onze president. In mijn ogen is hij de beste van allemaal. Ik heb nooit een president gezien die zo wijs is als president al-Assad. Ik heb van mijn leven nooit een leider gezien als hij. Ik heb nooit iemand gezien als hij. Hij is de vader van het volk. Hij helpt de armen. Hij is tegen onrecht, tegen corruptie, een ware Arabier. Telkens als we door een probleem worden bedreigd, kan alleen hij de natie op zijn schouders dragen enz.’ Ik ga weer onder water. Zien wat mijn geheugen niet heeft onthouden. De bomen. Op de bodem van het meer staan nog altijd bomen.* Maar je kunt ze onmogelijk herkennen. Sommige dragen nog altijd hun knoppen, arme paarse klokjes als kindertenen. Als ik mijn lamp richt en mijn hand naar ze uitsteek, ik wou dat je het zag, bewegen ze zachtjes, onmerkbaar. Als kleine knuistjes die vaarwel zwaaien. Dan moet ik aan onze kinderen denken. Blijf nog even, Almasji. Ga niet weg. Beneden, lager, op een diepte die ik niet kan bereiken, meen ik de ingebeukte deur te zien, de regenton, de blauwe gordijnen van het huis en, daarachter, achter de gordijnen en de gebroken ruiten, mama die naar me glimlacht en me wenkt om bij haar te komen, papa naast haar. Ik zwem snel nu.”
dezer dagen schiet het weer in je botten het nestelt zich in je gewrichten komt dichter bij je lang voor de ochtend dan lig je wakker weet je niet wat er met je gebeurt, waar het vandaan komt wat er overblijft alleen deze smalle kamer het verkeerd gefineerde meubilair het gekantelde raam een kier naar de straat het geruis in de populieren dreef me door de nachten je hoort daar niets meer en vraagt je in stilte af wanneer begon het dat ik niet meer dichterbij kon komen
Wantrouwen in grote woorden in kleine woorden, voegwoorden tussenwerpsels, in het laatste woord dat iedereen wil en niemand krijgt
Een totale gespreksstop met strenge straffen tong uitrukken wel het minste
Het paard langs de spoorbaan staart de sneltreinen na het gras wacht op de vallende nacht een steen koestert zich in het laatste licht.
Waarom hebt u mij verlaten? Wat een lachwekkende klacht.
Toekomstbeeld
Sommige dichters willen dat met hen ook het licht vergaat dat de wereld dan niet langer bestaat; blinde woede om de eigen dood (over die van anderen valt te praten).
Ik sta bij de rivier, u weet wel en zie hoe het licht mij majestueus links laat liggen; ik slik even en schik mij schrikkend in dit lege toekomstbeeld.
Het museum van de kindertijd
Het is altijd ergens, maar wie het bij toeval ontdekt in een naamloze straat, stuit meestal op een dichte deur waarachter stilte heerst
Of lijkt te heersen. De meesten lopen door terug naar het vertrouwde stratenplan en vergeten zijn bestaan.
Is het museum vloeibaar, opvouwbaar bestaat het uit prisma’s, electrische velden of valt het soms samen met wie eraan denkt?
Meestal is het verlaten, de wanden en uitstalkasten leeg op de jaartallen na die elkaar hun juistheid betwisten
Of het vult zich met mist, met daarin een aarzelende stem die beweert zich niets meer te herinneren, vrijwel niets.
Maar één gezicht, één geluid, één lichtval kan plotseling de toegang verschaffen tot de expositie waar alles bewaard blijkt te zijn.
Zodra de zon verdreven is duiken de zwermen op ze cirkelen boven de daken, gaan een ogenblik lang op de stijve takken zitten vliegen plotseling weer weg, verdwijnen uit het zicht van onze nog onverlichte ramen breken door het dichte web van hogere vliegroutes laten ons achter met een schemerige hemel die we niet kunnen duiden.