Kerstboom met kaarsjes door Rudolf Bernhard Willman, 1905
Das Weihnachtsbäumlein
Es war einmal ein Tännelein mit braunen Kuchenherzlein und Glitzergold und Äpflein fein und vielen bunten Kerzlein: Das war am Weihnachtsfest so grün als fing es eben an zu blühn.
Doch nach nicht gar zu langer Zeit, da stands im Garten unten, und seine ganze Herrlichkeit war, ach, dahingeschwunden. Die grünen Nadeln war’n verdorrt, die Herzlein und die Kerzlein fort.
Bis eines Tags der Gärtner kam, den fror zu Haus im Dunkeln, und es in seinen Ofen nahm – Hei! Tat`s da sprühn und funkeln! Und flammte jubelnd himmelwärts in hundert Flämmlein an Gottes Herz.
Christian Morgenstern (6 mei 1871 – 31 maart 1914) Adventstijd in München, de geboorteplaats van Christian Morgenstern
Waarorn ben jij zo blauw, zo blauwer nog dan de zee?
Er is geen spiegel waarin je jezelf kunt bewonderen,
dus wat heeft het mooiste blauw voor zin? Alleen
aan die andere vis zie je hoe blauw je zelf eigenlijk bent.
Is dat verliefd? zien aan een ander hoe mooi je bent
Vier minuten
Een vlinder spartelde tegen het raam, zocht door de ruit een weg naar buiten. Ik vouwde mijn handen voorzichtig om hem heen en ving wat niet te vangen
leek. Ik liep naar de tuin en deed mijn handen open van ga! Hij bleef zitten op mijn vinger, klapte zijn vleugels open en weer dicht, open en dicht en tijd
ging voorbij. Kostbare tijd in een vlinderleven. Na vier minuten zei ik zacht: moet jij niet eens gaan? Toen vloog de vlinder de lucht in en verdween.
In het grote boek der levende natuur heb ik gezocht wat voor zeldzame vlinder het was. Een dagpauwoog. Die komen veel voor, behalve de Dagpauwoogopmijnhand.
Dat is een van de allerzeldzaamste soorten op aarde. In het korte leven van één ervan ben ik even, nee, lang, heel lang een veilig huis geweest.
“Neudorf im Advent (Erzgebirge)”door Dieter Jacob, 2009
Advent
Offenb. 3, 20. Siehe, ich stehe vor der Tür und klopfe an.
Ich klopfe an zum heiligen Advent Und stehe vor der Tür! O selig, wer des Hirten Stimme kennt, Und eilt und öffnet mir. Ich werde Nachtmahl mit ihm halten, Ihm Gnade spenden, Licht entfalten, Der ganze Himmel wird ihm aufgetan, Ich klopfe an.
Ich klopfe an, da draußen ists so kalt In dieser Winterszeit; Von Eise starrt der finstre Tannenwald, Die Welt ist eingeschneit, Auch Menschenherzen sind gefroren, Ich stehe vor der verschlossnen Toren, Wo ist ein Herz, den Heiland zu empfahn? Ich klopfe an.
Ich klopfe an, sähst du mir nur einmal Ins treue Angesicht, Den Dornenkranz, der Nägel blutig Mahl, — O du verwärst mich nicht! Ich trug um dich so heiß Verlangen, Ich bin so lang dich suchen gangen, Vom Kreuze her komm ich die blut’ge Bahn: Ich klopfe an.
Ich klopfe an, der Abend ist so traut, So stille nah und fern, Die Erde schläft, vom klaren Himmel schaut Der lichte Abendstern; In solchen heilgen Dämmerstunden Hat manches Herz mich schon gefunden; O denk, wie Nikodemus einst getan: Ich klopfe an!
Ich klopfe an und bringe nichts als Heil Und Segen für und für, Zachäus ‘ Glück, Marias gutes Teil Bescheert‘ ich gern auch dir, Wie ich den Jüngern einst beschieden In finstrer Nacht den süßen Frieden, So möchte‘ ich dir mit holdem Gruße nahn; Ich klopfe an.
Ich klopfe an, bist, Seele du, zu Haus, Wenn dein Geliebter pocht? Blüht mir im Krug ein frischer Blumenstrauß, Brennt deines Glaubens Docht? Weißt du, wie man den Freund bewirtet? Bist du geschürzet und gegürtet? Bist du bereit mich bräutlich zu umsahn? Ich klopfe an.
Ich klopfe an, klopft dir dein Herze mit Bei meiner Stimme Ton? Schreckt dich der treusten Mutterliebe Tritt Wie fernen Donners Drohn? O hör‘ auch deines Herzens Pochen, In deiner Brust hat Gott gesprochen: Wach‘ auf, der Morgen graut, bald kräht der Hahn, Ich klopfe an.
Ich klopfe an; spricht nicht: es ist der Wind, Er rauscht im dürren Laub; — Dein Heiland ists, dein Herr, dein Gott, mein Kind, O stelle dich nicht taub; Jetzt komm‘ ich noch im sanften Sausen, Doch bald vielleicht im Sturmesbrausen, O glaub‘, es ist kein eitler Kinderwahn: Ich klopfe an.
Ich klopfe an, jetzt bin ich noch dein Gast Und steh vor deiner Tür, Einst, Seele, wenn du hier kein Haus mehr hast, Dann klopfest du bei mir; Wer hier getan nach meinem Worte, Denn öffn‘ ich dort die Friedenspforte, Wer mich verstieß, dem wird nicht aufgetan; Ich klopfe an.
Karl Gerok (30 januari 1815 – 14 januari 1890) Advent in Vaihingen an der Enz, de geboorteplaats van Karl Gerok
“Berlijn-Zehlendorf, Paaszondag 1962. Naarmate de trein de grens van Oost-Duitsland – waar men, zoals bekend, doorheen moet reizen om West-Berlijn te bereiken – nadert, groeit er, met mijn nieuwsgierigheid over wat ik te zien zal krijgen, ook een zonderlinge hoop: de hoop, dat alles zich veel betrekkelijker en veel minder ernstig zal laten aanzien, en dat de voorstelling die ik uit de berichtgeving van vele jaren heb opgebouwd, veel meer een projektie van mijn eigen, dikwijls zeer absoluut gestelde problematiek zal blijken te zijn, dan een met de werkelijkheid vergelijkbaar beeld. Men kent de voorstelling van de Duitse Bondsrepubliek zoals die wordt gekoesterd door de mensen voor wie de in de bezetting ondergane verschrikking een levenvullende tijdloosheid heeft gekregen; een voorstelling waaraan ook, vooral uit gemakzucht, wordt vastgehouden door mensen die politiek nooit volwassen willen worden; een voorstelling die haar voortbestaan in veel grotere mate aan de communistiese propaganda dankt dan men in het algemeen wel vermoedt. Volgens deze voorstelling is de Westduitse democratie een schijndemocratie, waarin de nazi’s en het grootkapitaal bezig zijn een nieuwe autoritaire Duitse staat naar een nieuwe veroveringsoorlog te voeren. De kracht van deze voorstelling berust in niet geringe mate op het ontbreken van een redelijke hoeveelheid feitelijk bewijsmateriaal: materiaal dat er niet is, kan men immers niet aanvechten. In werkelijkheid wordt slechts een handvol voorvallen gebruikt om de al van te voren axiomaties aangenomen agressiviteit van West-Duitsland te illustreren. Feiten zoals de nog nooit in de Duitse geschiedenis vertoonde impopulariteit van de Westduitse dienstplicht – waarvoor iedereen zich probeert te drukken – en de verbijsterend geringe percentages stemmen, die neo-, semi-nazistiese of andere ultra-rechtse groeperingen, voordat ze bij de wet werden verboden, bij verkiezingen behaalden zelfs in die deelstaten, die indertijd de typiese voedingsbodem waren van het nationaal-socialisme – die feiten zeggen de politieke dommelaar niets. Voor het handhaven van zijn op onvruchtbare moffenhaat steunende visie heeft hij slechts een paar berichten per jaar over geschonden Joodse begraafplaatsen, op muren geschilderde hakenkruisen of over de ontmaskering van een op een verantwoordelijke post gekomen oorlogsmisdadiger nodig.”
Gerard Reve (14 december 1923 – 8 april 2006) Reve met Woelrat en kat op schoot
Ik houd van je om alle vrouwen Die ik niet heb gekend Ik houd van je om alle tijden Dat ik niet heb geleefd Om de geur van het ruime sop En de geur van warm brood Om de sneeuw die smelt Om de eerste bloemen Om de zuivere dieren Die de mens niet verschrikt Ik houd van je om lief te hebben Ik houd van je om alle vrouwen Die ik niet liefheb
Wie anders spiegelt mij dan jij zelf Ik zie ik mij amper Zonder jou zie ik enkel Een verlaten vlakte Tussen vroeger en vandaag Waren al die doden Waar ik doorheen Loop op stro Ik kon geen gat boren In de muur van mijn spiegel Ik moest het leven leren Woord voor woord Zoals men vergeet
Ik houd van je om jouw wijsheid Die niet van mij is Om de gezondheid houd ik Van je ondanks alles dat enkel illusie is Om het onsterfelijke hart Dat ik niet beheer Je meent twijfel te zijn En je bent slechts rede Je bent de grote zon Die mij naar het hoofd stijgt Als ik zeker ben van mezelf Als ik zeker ben van mezelf.
St. Johannes de Doper als jongen door Andrea del Sarto, ca. 1525
Der Täufer
Siehe! Das ist Gottes Lamm. Dieser wird für unsre Sünde sterben an des Kreuzes Stamm, dass er allen Völkern künde: Gott nimmt ihr Gebrest auf sich. Dass fortan die Menschheit wisse: Träger ihrer Finsternisse ist nicht nur ihr kleines Ich.
Christian Morgenstern (6 mei 1871 – 31 maart 1914) Christkindlmarkt in München, de geboorteplaats van Christian Morgenstern
Kleine ronde harde stenen klikken onder mijn hielen, zaaiend gras duwt baardzaadjes in broekspijpen, blikjes, waarop getrapt wordt, knarsen in hoog, paars bloeiend, vriendelijk onkruid.
District zes. Geen bord zegt dat het zo is: maar mijn voeten weten het, en mijn handen, en de huid rond mijn botten, en het zachte gezwoeg van mijn longen, en de hete, witte, naar binnen draaiende woede van mijn ogen.
Ruw met glas, naam wapperend als een vlag, hurkt het in het gras en onkruid, ontluikende Port Jackson-bomen: nieuwe, chique haute cuisine, wachter bij de poort, herberg alleen voor blanken.
Geen bord zegt dat het zo is: Maar we weten waar we thuishoren.
Vertaald door Frans Roumen
Tatamkhulu Afrika (7 december 1920 – 23 december 2002) Cover
Wieder sieht man in den frühen Abenden die Lichter blühen. Straßen hin und wieder funkeln bunte Wunder in das Dunkeln.
Wieder träumt viel Kinderhoffen vor den Fenstern – leise Stimmen flüstern; in der Dämmrung glimmen Augen groß – und sehn den Himmel offen.
Seligen Kinderglücks. Voll Wartens sind die Tage und die Abende vorm Schlafengehn – Wohl im Schlaf und Traum der Nächte sehn sie erfüllt schon ihres Sehnens Frage;
schon erfüllt im Traum des Traums Verlangen, sehen, wie das Wunder – schon geschah -: Christkind kommt weiß durch die Nacht gegangen und ist da …
Karl Röttger (23 december 1877 – 1 september 1942) De Evangelisch-Lutherse St. Andreaskerk in Lübbecke, de geboorteplaats van Karl Röttger
Ik ben geen vluchteling; ik ben een bouwer en mijn broers vertelden mij dat de grond hier goed was. Muharrem en Metin werkten in de put, maar toen er in de put geen werk meer was, brachten ze shoarma naar de buitenstad. Daarna haalden ze mij naar Nijmegen. Dat is bouwen. Er waren dagen waarop ik moest bepalen: ga ik eten of toch maar slapen? Ik kom uit een land waar je geen garanties hebt behalve je twee handen en wat daar verder aan vastzit – zolang dat lichaam het uithoudt moet je gaan. Hier deden we niet anders; wij drieën draaiden zaken, maakten het steeds later en nu is alles anders hier. Het draait, dag en nacht door. Toen zeiden ze: ‘Je bent klaar, boven zeggen ze dat je weg moet.’ Ik vroeg: ‘Wie is boven?’ Want beneden willen ze dat ik blijf. Zoiets noem je een fundament. Eigenlijk is alles bouwen of breken en wat ik wil is bouwen, dingen zoals rust.
Een schilder duidt de tijd van de dag aan in een stilleven; schuin valt middaglicht op een mes, citroenen, groene wijnfles met restje rode wijn. Laten we altijd iets niet helemaal af? We willen x hebben we x willen we y en hebben we y willen we z? Ik probeer het scheppingsmoment te voelen in de lichtval op een doorgesneden citroen. Wat ik wil is het strooien van grind op modder verbinden met hongerig zijn. ‘Eet’, zei een man uit Afghanistan en wees naar de oude rottende appels in de open kofferbak. Ik zie een rij mannen een wolkendans dansen; twee vrouwen dansen de complexe bliksempassen aan de uiteindes. Mijn fouten en vergissingen kloppen in mij ook als momenten van geluk, maar ik wil dat de glanzende momenten uitdijen resonerend als een gamelangong. Ik wil van de complexe brokkelige momenten van onze levens een vloer maken van jade, obsidiaan, turkoois, ebbenhout en lapis.