Verdween mijn zusje onverwacht. En niemand die haar lopen zag. De zon sloop weg, de dag werd oud. De maan kwam op, de nacht was koud. We zochten haar aan strand en zee. Misschien nam Westenwind haar mee. We riepen hard en zongen zacht. We zochten sporen in de nacht. Maar alles gaat zoals het moet. En zij bleef weg, voorgoed, voorgoed. Nu zingt de wind een droevig lied. Vergeet mij niet, vergeet mij niet.
Zusje
Het zusje dat zo dwalen moest langs verre stranden, golven woest zij gaf de woorden toekomst mee en bracht ze naar de wijde zee nu is ze weg, haar stem werd stil maar als ik haar weer horen wil sluit ik mijn ogen om te zien of zij nog ergens is misschien.
Johanna Anna Kruit (Zoutelande, 14 december 1940) Sint Catharinakerk, Zoutelande
De Nederlandse dichteres en schrijfster Johanna Anna Kruit werd geboren in Zoutelande op 14 december 1940. Kruit groeide op als een na oudste in een gezin van elf kinderen. Haar vader was boekhandelaar. Kruit bezocht de mulo en werkte daarna als verpleegster in een kindersanatorium. Daarna had ze een tijdje een jeugdrubriek in een regionale krant. Toen ze op latere leeftijd last kreeg van een hernia en ze lange tijd op bed moest gaan liggen begon ze met schrijven. In 1976 debuteerde bij uitgeverij WEL het boek “Achter een glimlach”. In 1989 kwam haar eerste kinderboek “Als een film in je hoofd” uit. Hierna ging ze verhalen en gedichten schrijven voor Vrij Nederland, Margriet, Okki, Taptoe en Mik-Mak. In 1996 kreeg ze een Vlag en Wimpel voor haar jeugdbundel “Zoals wind om het huis”. Kruit wordt samen met de schrijvers Leendert Witvliet, Wiel Kusters, Remco Ekkers en Ted van Lieshout gerekend tot de zogenoemde Blauw Geruite Kiel-groep. Kruit bezoekt scholen en bibliotheken in Nederland, waar ze voorleesdagen geeft.
Walcheren bij avond
De dag gaat dicht als een deur. Jij schudt een sprookje uit je mouw. We lopen langs het duinpad naar de sterren en open gaat de nacht. De lage lichten van de kust
beloven meer dan je kunt zien. Een visser staat met zijn lantaarn aan in zee. Het silhouet van een geluidloos schip wordt neergezet tegen de einder en verschuift. Met regelmaat
van enkele seconden zwaait een armvol licht vanaf de vuurtoren over ons heen. De wind gaat liggen in een dal, de avond wint het van de dag. En dan van ver komt er een dicht-
regel van Achterberg over het schaduwpad: “Aan het roer dien avond stond het hart”.
Nooit
Nooit schreef ik je een brief. Je was zo dicht dat ik je elke dag kon zien. Jouw verte was anders dan de mijne. Maar het viel ons licht
daar over heen te praten. De toekomst was zo lang dat over vroeger spreken nog wel kon. We deden dus gewoon. Maar waren beiden bang
dat alles toch weer fout ging. Deze nacht leg ik voorzichtig bloemen op je graf. Ik mis je meer dan ik ooit had verwacht.