Kees Verheul, Elizabeth Bishop

De Nederlandse schrijver, vertaler, slavist en essayist Kees Verheul werd geboren in Hengelo op 9 februari 1940. Zie ook alle tags voor Kees Verheul op dit blog.

Uit: Bevrijde jeugd

“Hoe betrouwbaar is het geheugen? Nog een jaar of tien geleden meende ik duidelijk te weten wat mijn vroegste herinnering was. Negentiendrie-, misschien zelfs tweeënveertig. Onze voorkamer in een hard, glansloos ochtendlicht. Kennelijk zondag want mijn vader is thuis. Ik troon op een wollig kussen – het dure, vol dieprood en zwarte patronen, dat mijn vader eens toen ik nog niet bestond met een prijsvraag gewonnen heeft. Aan weerskanten van mij de leunstoelen van mijn ouders. Hun schoenen. Daarboven hun benen, hun knieën. Hun hoofden schemeren haast onbereikbaar hoog en ver. Ze luisteren roerloos. Uit de radio achter mij – niet de latere van de ptt maar de vooroorlogse, met gloeilampen, die op ons mooiste kastje staat – buldert een stem. Mijn vader houdt zijn gezicht in die richting. Mijn moeder tuurt door het raam naarbuiten. Maar ook al verraadt hun lichaam geen reactie op het getier dat onze hele kamer vult, ik voel het ontbreken van de normale veiligheid van het bij elkaar zitten. Alsof mijn vader en moeder ergens diep achter hun kleren zijn weggevlucht, onvindbaar voor die stem, en ik opeens alleen zit tussen twee poppen. Het was Hitler. Een van zijn oorlogstoespraken.
Aan de authentieke kern van het bovenstaande twijfel ik nog steeds niet, daarvoor zijn de indrukken en mijn emotie van gemis te sterk. Maar dat dit het allereerste zou zijn dat ik me herinner? Alsof ik niet willekeurig twee, drie andere prehistorische beelden naar boven zou kunnen halen – scènes uit het overgangsgebied tussen pure zinnelijkheid en beginnend realiteitsbesef van voor je vierde. Deze warme zomermiddag bijvoorbeeld. Mijn broer loopt in een badpak over het terrasje achter ons huis. Af en toe komt hij in mijn gezichtsveld. Achter mij hoor ik door het open raam mijn moeders gescharrel in de keuken. In mijn zinken teiltje vol water, eveneens op het terras, heb ik geen aandacht voor hem of haar, wel een onbestemd besef dat ik mij door hun aanwezigheid geen zorgen hoef te maken om de buitenwereld. Dus concentreer ik me vrij op het zwaantje van celluloid dat ik tussen mijn vingers klem en dat mij steeds ongelukkiger maakt en steeds kwader. Waarom schiet het hooghartige ding telkens naar de oppervlakte, met telkens datzelfde triomfantelijke sprongetje boven water, wanneer ik het op de bodem loslaat?”

 

Kees Verheul (9 februari 1940 – 16 maart 2024)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Elizabeth Bishop werd geboren op 8 februari 1911 in Worcester, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Elizabeth Bishop op dit blog.

 

In de wachtkamer

In Worcester, Massachusetts,
kwam ik samen met Tante Consuelo
haar tandartsafspraak na
en zat op haar te wachten
in de wachtkamer van de tandarts.
Het was winter. Het werd vroeg
donker. De wachtkamer zat
vol grote mensen,
overschoenen en jassen,
lampen en tijdschriften.
Een poos die lang leek te duren
bleef mijn tante daarbinnen
en terwijl ik wachtte
las ik de National Geographic
(ik kon lezen) en bestudeerde
zorgvuldig de foto’s:
het binnenste van een vulkaan,
zwart en vol as; en
dan stroomde hij over
in beekjes van vuur.
Osa en Martin Johnson
gekleed in rijbroek,
rijglaarzen en met tropenhelmen op.
Een dode man die aan een paal hing
-‘Long Pig’ zei het onderschrift.
Babies met puntige hoofden
van top tot teen omwikkeld met touw;
zwarte, naakte vrouwen met halzen
helemaal omwikkeld met draad
als de glazen staafjes van gloeilampen.
Hun borsten waren afschuwelijk.
Ik las het helemaal door.
Ik was te schuw om te stoppen.

En toen keek ik naar de omslag:
de gele randen, de datum.

Plotseling, daarbinnen,
klonk een oh! van pijn
– Tante Consuelo’s stem –
niet erg luid of erg lang.
Ik was totaal niet verbaasd;
zelfs toen wist ik dat zij
een vrouw was, dwaas en verlegen.
Ik had van mijn stuk kunnen raken
maar raakte dat niet. Wat mij volstrekt
overviel was
dat ik het was:
mijn stem, in mijn mond.
Zonder ook maar te denken
was ik mijn dwaze tante,
ik – wij – vielen, vielen,
onze ogen star gericht op de omslag
van de National Geographic,
februari, 1918.

……..

Ik zei tot mezelf: nog drie dagen
en je bent zeven jaar oud.
Ik zei het om het gevoel te stoppen,
van de ronde, draaiende wereld
in koude, blauwzwarte ruimte te vallen.
Maar ik voelde: je bent een Ik,
je bent een Elizabeth,
je bent een van hen.
Waarom moet jij er ook een zijn
Ik durfde nauwelijks te kijken
om te zien wat ik dan wel was.
Ik wierp een blik opzij
– ik kon niet hoger kijken –
naar schimmige grijze knieën,
broeken, rokken, laarzen
en de verschillende paren handen
die onder de lampen lagen.
Ik wist dat er nooit
iets vreemders was gebeurd, dat niets
vreemders ooit gebeuren kon.
Waarom zou ik mijn tante zijn,
of mezelf of willekeurig wie?
Welke overeenkomsten –
laarzen, handen, de familiestem
die ik voelde in mijn keel, of zelfs

de National Geographic
en die vreselijke hangborsten –
hielden ons allen tezamen
of maakten ons allen tot één?
Wat – ik wist er geen
woord voor – wat ‘onwaarschijnlijk’…
Hoe kwam het dat ik hier was,
zoals zij, en een kreet van pijn hoorde
die luider en erger had kunnen worden
maar dat niet geworden was?

De wachtkamer was licht
en te heet. Zij schoof onder
een grote zwarte golf,
en nog een en nog een.

Toen was ik erin terug.
Het was oorlog. Buiten,
in Worcester, Massachusetts,
heerste nacht en moddersneeuw en kou
en nog steeds was het de vijfde
februari, 1918.

 

Vertaald door J. Bernlef

 

Elizabeth Bishop (8 februari 1911 – 6 oktober 1979)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e februari ook mijn blog van 9 februari 2022 en ook mijn blog van 9 februari 2019 en mijn blog van 9 februari 2017 en ook alle drie blogs van 9 februari 2014.

Rachel Cusk, Elizabeth Bishop

De Canadese schrijfster Rachel Cusk werd geboren op 8 februari 1967 in Saskatoon. Zie ook alle tags voor Rachel Cusk op dit blog.

Uit: Parade (Vertaald door Jeske van der Velden)

“Op een bepaald punt in zijn carrière begon de kunstenaar G, misschien omdat het de enige manier was die hij kon bedenken om zijn tijd en zijn plaats in de geschiedenis te duiden, ondersteboven te schilderen. Op het eerste gezicht leek het alsof de schilderijen per ongeluk verkeerd om waren gehangen, totdat de rechtsonder in de hoek prijkende signatuur duidelijk maakte dat er een nieuwe werkelijkheid was aangebroken. Zijn vrouw geloofde dat hij met deze ontwikkeling onbewust iets verontrustends had uitgedrukt over de toestand van vrouwen en vroeg zich af of het gevolgen zou hebben voor zijn succes, maar de kunstcritici onthaalden de omgekeerde schilderijen enthousiaster dan ooit tevoren en G werd gefêteerd met een nieuwe ronde prijzen en eerbetuigingen, die iedereen hem sowieso genegen leek te geven, wat hij ook deed. Ze woonden in een bosrijke streek op enige afstand van de stad, want ondanks de goedkeuring die de wereld G schonk, voelde hij zich boos op en gekwetst door diezelfde wereld en kon hij het niet opbrengen haar te vergeven. Zijn vroege werk was op brute wijze bekritiseerd en al verzekerde men hem dat zijn vermogen om te schokken juist het onomstotelijke bewijs was van zijn talent, was G die aanvallen nooit echt te boven gekomen. Zijn kracht school niet zozeer in het afweren van pogingen om hem te vergiftigen en vernietigen, als wel in het absorberen ervan, in het doorslikken van het vergif en zich erdoor laten veranderen, zodat zijn overleven niet simpelweg een verhaal over veerkracht was, maar eerder een uitgesponnen kruisiging die de wereld uiteindelijk dwong tot zelfkastijding vanwege wat ze hem had aangedaan. Pas dankzij de bossen had G een uitweg gevonden uit zijn artistieke impasse, uit zijn gevoel gevangen te zitten tussen het anekdotische van de representatie en het gebrek aan engagement van de abstractie. Hij had veel tijd besteed aan het observeren van de plaatselijke houthakkers, en telkens als hij zag hoe een boom werd geveld had het probleem van verticaliteit zich aan hem opgedrongen. Eerst had hij de mannen en de bomen geschilderd in een soort vereenzelvigde staat, waarin de stammen en lichamen inwisselbaar waren. Toen had hij gezien dat ook de lichamen konden worden geveld, afgesneden van hun eigen wortels en op vergelijkbare wijze op hun kant gekeerd of in stukken gehakt. En uiteindelijk was hij op het omkeringsidee gekomen, als oplossing voor dit geweld en als manier om het principe van heelheid terug te brengen, zodat de wereld weer intact was, maar ondersteboven gekeerd en daardoor bevrijd van de werkelijkheid met haar beperkingen.”

 

Rachel Cusk (Saskatoon, 8 februari 1967)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Elizabeth Bishop werd geboren op 8 februari 1911 in Worcester, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Elizabeth Bishop op dit blog.

 

Een koude lente

Voor Jane Dewey, Maryland

Nothing is so beautiful as spring. – Hopkins

Een koude lente:
over het grasveld een vreemde paarse gloed.
Twee weken minstens aarzelden de bomen;
de blaadjes wachtten af,
maar lieten goed zien hoe ze zouden worden. Ten slotte daalde
plechtig groen stof
over je uitgestrekte, lukraak verspreide heuvels.
Op een dag, in een kille witte guts zonlicht,
werd op een daarvan een kalfje geboren.
De moeder hield op met loeien en
was lang bezig met de nageboorte,
een armzalige vlag,
maar het kalfje krabbelde prompt overeind
en leek geneigd tot vrolijk gedrag.

De volgende dag
was een stuk warmer.
Groenig witte kornoelje drong door in het bos,
ieder bloemblad geschroeid, zo leek het, door een sigarettenpeuk;
en de wazige judasboom stond ernaast,
bewegingloos, maar bijna meer
in beweging dan welke omlijnde kleur dan ook.
Vier herten sprongen al oefenend over je hekken.
De jonge eikenblaadjes deinden door de bedaarde eik.
Zanggorsen waren opgelierd voor de zomer
en in de esdoorn liet de complementaire kardinaalvogel
een zweep knallen en de slaper ontwaakte
en strekte vanuit het zuiden zijn mijlenlange groene leden.
Op zijn muts werden de seringen wit,
later dwarrelden ze neer als sneeuw.
Nu de avond valt
komt een nieuwe maan op.
De heuvels vervagen. Plukken hoog opgeschoten gras
verraden waar een koeienvlaai ligt.
De brulkikkers laten zich horen,
slappe snaren door dikke duimen beroerd.
Onder de buitenlamp, tegen je witte voordeur
plakken de allerkleinste nachtvlinders, als Chinese waaiers,
zilver en zilvergerand over
bleekgeel, oranje of grijs heen geplooid.
Nu, vanuit het dichte gras, beginnen
de vuurvliegjes op te stijgen:
omhoog, omlaag, dan weer omhoog:
oplichtend als ze klimmen,
gezamenlijk drijvend naar dezelfde hoogte,
net als de belletjes in champagne.
Later stijgen ze veel hoger.
En je schaduwrijke weiden zullen nu elke avond
deze bijzondere, lumineuze huldeblijken
aan kunnen bieden, de ganse zomer lang.

 

Vertaald door J. Bernlef

 

Elizabeth Bishop (8 februari 1911 – 6 oktober 1979)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 8e februari ook mijn blog van 8 februari 2019 en ook mijn blog van 8 februari 2015.

J. Bernlef, Sascha Kokot

De Nederlandse schrijver en dichter J. Bernlef werd geboren op 14 januari 1937 in Sint Pancras. Zie ook alle tags voor J. Bernlef op dit blog.

 

Nieuwjaarswens

Wantrouwen in grote woorden
in kleine woorden, voegwoorden
tussenwerpsels, in het laatste woord
dat iedereen wil en niemand krijgt

Een totale gespreksstop
met strenge straffen
tong uitrukken wel het minste

Het paard langs de spoorbaan
staart de sneltreinen na
het gras wacht op de vallende nacht
een steen koestert zich in het laatste licht.

Waarom hebt u mij verlaten?
Wat een lachwekkende klacht.

 

Toekomstbeeld

Sommige dichters willen
dat met hen ook het licht vergaat
dat de wereld dan niet langer bestaat;
blinde woede om de eigen dood
(over die van anderen valt te praten).

Ik sta bij de rivier, u weet wel
en zie hoe het licht mij
majestueus links laat liggen;
ik slik even en schik mij
schrikkend in dit lege toekomstbeeld.

 

Het museum van de kindertijd

Het is altijd ergens, maar wie het bij toeval ontdekt
in een naamloze straat, stuit meestal op een
dichte deur waarachter stilte heerst

Of lijkt te heersen. De meesten lopen door
terug naar het vertrouwde stratenplan
en vergeten zijn bestaan.

Is het museum vloeibaar, opvouwbaar
bestaat het uit prisma’s, electrische velden
of valt het soms samen met wie eraan denkt?

Meestal is het verlaten, de wanden
en uitstalkasten leeg op de jaartallen na
die elkaar hun juistheid betwisten

Of het vult zich met mist, met daarin
een aarzelende stem die beweert zich
niets meer te herinneren, vrijwel niets.

Maar één gezicht, één geluid, één lichtval
kan plotseling de toegang verschaffen tot de
expositie waar alles bewaard blijkt te zijn.

 

J. Bernlef (14 januari 1937 – 29 oktober 2012)

 

De Duitse dichter, schrijver en fotograaf Sascha Kokot werd geboren op 18 januari 1982 in Osterburg. Zie ook alle tags voor Sascha Kokot op dit blog.

 

Zodra de zon verdreven is

Zodra de zon verdreven is
duiken de zwermen op
ze cirkelen boven de daken,
gaan een ogenblik lang
op de stijve takken zitten
vliegen plotseling weer weg,
verdwijnen uit het zicht
van onze nog onverlichte ramen
breken door het dichte web van hogere vliegroutes
laten ons achter met een schemerige hemel
die we niet kunnen duiden.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Sascha Kokot (Osterburg, 18 januari 1982)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e januari ook mijn blog van 14 januari 2019 en eveneens mijn blog van 14 januari 2018 deel 2.

Robert Bly

De Amerikaanse dichter en schrijver Robert Bly werd geboren op 23 december 1926 in Madison, Minnesota. Zie ook alle tags voor Robert Bly op dit blog.

 

THE LIFE OF WEEDS

The cry of those being eaten by America,
Others pale and soft being stored for later eating

And Jefferson
Who saw hope in new oats

The wild houses go on
With long hair growing from between their tots
The feet at night get up
And run down the long white roads by themselves

Dams reverse themselves and want to go stand alone in the desert

Ministers who dive headfirst into the earth
The pale flesh
Spreading guiltily into new literatures

This is why these poems are so sad
The long dead running over the fields

The mass sinking down
The light in children’s faces fading at six or seven
The world will soon break up into small colonies of the saved

 

ISEULT AND THE BADGER

The ink we use to write seeps in through our fingers.
What we call reason is the way the parasite
Learns to live in the saint’s intestinal tract.

Even the finest reason still contains the darkness
From feathers packed together; General Patton
Was a salmon who grew large in the Etruscan pool.

Poetry, being language, is woven from animal hair.
The badgers and the thrushes soak up the stain of separation,
Just as lanolin makes the shearer’s hands soft.

The old thinkers of quiddity remind us
Of the fear the hogs feel hanging by their hind legs;
For we know our throats are open to the unfaithful.

Iseult said, “I was climbing on the sounds of my lover’s
Name toward God! Then a badger ran past.
When I said, ‘Oh badger,’ I fell to earth.”

Perhaps if we used no words at all in poems
We could continue to climb, but things seep in.
We are porous to the piled leaves on the ground.

 

The Fat Old Couple Whirling Around

The drum says that the night we die will be a long night.
It says the children have time to play. Tell the grownups
They can pull the curtains around the bed tonight.

The old man wants to know how the war ended.
The young girl wants her breasts to cause the sun to rise.
The thinker wants to keep misunderstanding alive.

It’s all right if the earthly monk is buried near the altar.
It’s all right if the singer fails to turn up for her concert.
It’s good if the fat old couple keeps whirling around.

Let the parents sing over the cradle every night.
Let the pelicans go on living in their stickly nests.
Let the duck go on loving the mud around her feet.

It’s all right if the ant always remembers his way home.
It’s all right if Bach keeps reaching for the same note.
It’s all right if we knock the ladder away from the house.

Even if you are a puritan it would be all right
If you join the lovers in their ruined house tonight.
It’s good if you become a soul and then disappear.

 

Verbaasd over een opeenhoping van sneeuw

Ik had alleen in mijn verduisterde huis lopen zingen
over een man die erin toestemt te lijden.
De deur ging open, ik was verbaasd dat de lucht dik was;
het paard had zijn romp naar het noorden gekeerd.
Sneeuw glijdt langs de valleien van zijn rug.
Het witte dak stond kalm tussen de zwarte bomen.

Het is schokkend dat de sneeuw op de hele boerderij viel
terwijl de zanger alleen en op zichzelf in zijn woning bleef.
Net alsof de Afrikaanse reiger, gesneden uit een buffelhoorn,
plotseling zijn bek open zou doen en zou roepen,
of een klok onder glas die op zou stijgen en slaan.
De hoef van het paard schraapt een zeeschelp tevoorschijn
en de boer vindt een Indiaanse steen met een gat dwars er doorheen.

 

Vertaald door J. Bernlef

 

Robert Bly (23 december 1926 – 21 november 2021)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e december ook mijn blog van 23 december 2018 deel 1 en ook deel 2 en eveneens deel 3.